In Memoriam Prof. dr. Theo de Boer (1932-2021)

Op 16 december 2021 overleed op 89-jarige leeftijd een van de oprichters van de Levinas Studiekring, de Amsterdamse hoogleraar Theo de Boer. Hij was vooral bekend als hermeneutisch en fenomenologisch denker. Nadat hij in 1966 was gepromoveerd op een omvangrijke dissertatie over Edmund Husserl (De ontwikkelingsgang in het denken van Husserl), was hij van 1968 tot 1992 hoogleraar Wijsgerige antropologie en haar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1992 verkaste hij naar de Vrije Universiteit aldaar, nadat hem was beloofd dat hij aan de VU niet langer belast zou zijn met bestuurlijke taken en vergaderingen. Tot zijn emeritaat in 1997 bekleedde hij aan de VU de leerstoel Systematische wijsbegeerte.

Theo de Boer was een groot kenner van Levinas. Samen met Ad Peperzak kan hij worden beschouwd als de wegbereider van de Levinas-receptie in het Nederlands taalgebied. Hij schreef vele artikelen en diverse boeken over diens filosofie. Daarvan zijn Tussen filosofie en profetie (1976) en Van Brentano tot Levinas (1989) de meest invloedrijke. Met name in het laatstgenoemde boek maakt hij duidelijk dat Levinas geen geïsoleerde denker is, maar slechts goed kan worden begrepen in relatie tot de fenomenologische traditie van Husserl en Heidegger, en via hen in relatie tot de gehele westerse filosofiegeschiedenis.

De fenomenologie is echter niet de enige betekeniscontext waarin Theo de Boer het gedachtegoed van Levinas interpreteerde Ook de poëzie vormt een belangrijke bron van inspiratie voor zijn hermeneutische interpretaties. Het schitterend uitgegeven boek Denken over dichten: hartstocht en rede komen in contact (2011), dat hij samen met Trouw-journalist Peter Henk Steenhuis schreef, getuigt hiervan. Van de vele Europese dichters die in dit boek ter sprake komen, is Martinus Nijhoff zonder twijfel de belangrijkste voor De Boer. Diens grote epische gedicht Awater (1934) komt op vele plekken in zijn werk naar voren.

Zelf beschouw ik Tamara A., Awater en andere verhalen over subjectiviteit (1993) als een van De Boers beste boeken, zo niet het beste. Zijn interpretatie van Nijhoffs Awater-figuur als plaatsvervanger – waarmee hij de plaatsvervangende rol van de kunsten überhaupt in het licht stelt – heb ik in mijn eigen werk meermalen gevolgd. De Boer laat hier prachtig zien hoe fundamenteel filosofisch hermeneutische interpretatie van (dicht)kunst kan zijn.

Het eerste hoofdstuk uit zijn ‘beste boek’, ‘De lotgevallen van Tamara A.’, is gebaseerd op de rede die De Boer zou houden voor de winnaar van de Erasmusprijs 1986, Vaclav Havel. Omdat Havel vreesde dat hem, na een prijsuitreiking in Nederland, de toegang tot zijn vaderland, het toenmalige communistische Tsjechoslowakije, geweigerd zou worden, reisde De Boer naar Praag om voor Havel een rede te houden en hem te feliciteren. Op het vliegveld werd hij echter onverrichterzake teruggestuurd. Eerder was het De Boer wel gelukt naar Praag te reizen. Hij onderhield nauwe contacten met de groep van kritische ‘dissidente’ intellectuelen waartoe Havel behoorde. Bij de controle van zijn bagage op de luchthaven vonden de douanebeambten onder andere enige boeken van Levinas. Argwanend begonnen de douaniers de boeken door te bladeren, maar toen zij van de inhoud niets begrepen, werd De Boer doorgelaten.

In zijn rede voor Havel bespreekt De Boer een kort gedicht van de dichter Reiner Kunze, dat verhaalt over de veertienjarige Oost-Duitse Tamara A., die haar West-Duitse correspondentievriendin schrijft over de standbeelden in haar stad, onder andere dat van Lenin. “Jammer dat ze niets over zichzelf vertelt” zegt de correspondentievriendin tegen haar vader, de dichter. “Ze vertelt over zichzelf, dochter”, antwoordt haar vader in het gedicht. Het slot van dit hoofdstuk over wat het betekent mens te zijn, is te mooi om hier niet te citeren: “Men vraagt zich misschien af waarom ik het in deze voordracht ter gelegenheid van de Erasmusprijs niet over de winnaar van die prijs heb gehad. Mijn antwoord is: ik heb slechts over hem verteld.”

Als docent was Theo de Boer vooral een uitstekende begeleider. Om een vergelijking met het muziekvak te maken: Theo was eerder een vioolpedagoog of pianoleraar dan een solist op het concertpodium. Zoals iedereen die het vak beoefent weet, zijn de beste solisten niet per se de beste leraren. Dat geldt niet alleen in de muziek, maar waarschijnlijk voor elk vak. Het geldt hoe dan ook voor de filosofie. Ik heb het voorrecht gehad bij Theo afgestudeerd én gepromoveerd te zijn. In plaats van thema’s aan zijn studenten op te leggen, zoals veel supervisors doen, accepteerde hij mijn probleemstelling en onderzoeksvragen, en kroop hij mét mij in mijn gedachtegang. In die ‘gedeelde ruimte’ wees hij mij op mogelijke missers en valkuilen, maar stimuleerde hij mij ook in bepaalde richtingen verder te denken. Zijn begeleiding heeft mij werkelijk zelf denken geleerd: het ontwikkelen van eigen perspectieven en ideeën, altijd in relatie tot andere ideeën en perspectieven.

Bij zijn emeritaat in 1997 kreeg Theo niet alleen, zoals gebruikelijk, een liber amicorum aangeboden, geschreven door vakgenoten en (voormalige) promovendi, maar ook een liber amicarum, wat zeker toen heel bijzonder was. Een ‘vriendinnenboek’, geschreven door vrouwelijke doctores in de filosofie, allen scholars van Theo. (Liber amicarum. Over kunst, literatuur en filosofie, onder redactie van Heleen Pott et aliae).

Laten we hopen dat de aandacht nu voor Theo’s overlijden velen ertoe aanzet zijn rijke oeuvre opnieuw ter hand te nemen.